Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BA1809

Datum uitspraak2007-03-20
Datum gepubliceerd2007-03-29
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200609096/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Richtlijn 2003/86/EG / EU-burger Verwijzing naar uitspraak ABRvS 29 maart 2006 bij beroep op artikel 4, tweede lid, van de Gezinshereningings-richtlijn Niet in geschil is dat de vader van appellant ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar van 29 november 2005 de Nederlandse nationaliteit had, zodat hij ten tijde van dat besluit burger van de Unie was. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Richtlijn is deze, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 maart 2006 in zaak no. 200510214/1; JV 2006/172), derhalve niet op appellant van toepassing.


Uitspraak

200609096/1. Datum uitspraak: 20 maart 2007 RAAD VAN STATE AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/476 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 17 november 2006 in het geding tussen: appellant en de Minister van Buitenlandse Zaken. 1. Procesverloop Bij besluit van 17 december 2004 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) een aanvraag van appellant om hem een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 29 november 2005 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 17 november 2006, verzonden op 20 november 2006, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 18 december 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Bij brief van 27 december 2006 heeft de minister een reactie ingediend. Vervolgens is het onderzoek gesloten. 2. Overwegingen 2.1. In grief 2 klaagt appellant dat de rechtbank, door te overwegen dat zijn beroep op artikel 4, tweede lid, van de Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (hierna: de Richtlijn) niet slaagt, aangezien niet is gebleken dat hij vanwege zijn gezondheidstoestand kennelijk niet in staat is zelf in zijn levensonderhoud te voorzien, heeft miskend dat hij ernstige psychische problemen heeft. 2.2. Niet in geschil is dat de vader van appellant ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar van 29 november 2005 de Nederlandse nationaliteit had, zodat hij ten tijde van dat besluit burger van de Unie was. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Richtlijn is deze, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 maart 2006 in zaak no. 200510214/1; JV 2006/172), derhalve niet op appellant van toepassing. Reeds hierom kan de grief niet leiden tot het daarmee beoogde doel. 2.3. Hetgeen in de grieven 1 en 3 is aangevoerd en voldoet aan het bepaalde in artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan. 2.4. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop die rust, te worden bevestigd. 2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, ambtenaar van Staat. w.g. Claessens Voorzitter w.g. Van Loon ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2007 284-506. Verzonden: Voor eensluidend afschrift, de Secretaris van de Raad van State, voor deze, mr. H.H.C. Visser, directeur Bestuursrechtspraak